De geschiedenis van landgoed Het Jagershuis begint in 1825 als twee neven Jonkheer mr. Lodewijk C.J.C.F. van Nispen van ’t Velde (1790-1872) en Jonkheer Jan Antoon Ch.A. van Nispen van Sevenaer – Heer van Sevenaer – (1805-1875) het merendeel van de Wehlse heide aankopen. Deze heide, Gemeine Heide geheten, was gemeenschappelijk bezit van de Geërfden (Inwoners van Wehl met 300 Rhijnlandsche Roeden of meer in hun bezit) en was totaal ± 360 ha. groot. Het waren woeste heidegronden waar ze schapen lieten grazen en plaggen staken voor hun potstallen. De schout van Wehl en tevens president van de Geërfden vroeg in 1824 via de Hoofdschout van Doesburg toestemming aan Gedeputeerde Staten om de Gemeine Heide te mogen verkopen. De opbrengst hiervan zou worden aangewend ter aflossing van geleende gelden en nog verschuldigde rente.

De Heerlijkheid Wehl en nog enkele andere plaatsen in de Liemers zijn pas op 1 juni 1816 deel gaan uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden, voordien waren het Pruisische enclaves.

De twee neven kopen samen 270 ha. aan. Het kadaster vermeldt in 1833 dat een zeven meter brede hakhoutwal het bezit in twee gelijke delen van 135 ha. verdeelt. Zij laten in 1840 vastleggen dat ieder van hen een deel op eigen naam krijgt. Het oostelijk deel, het Stilliwald, gaat naar Lodewijk van Nispen en Jan Antoon van Nispen krijgt het westelijk deel, Het Jagershuis. Het Stilliwald werd in 1913 verkocht aan de toenmalige beheerder L. van Laak, wiens nazaten het nu nog in bezit hebben.


Uit de oude kas- en dagboeken blijkt, dat de twee landgoederen waarschijnlijk als een eenheid beheerd werden, want werkzaamheden en uitgaven werden niet nadrukkelijk aan een van de twee terreinen toegeschreven. Er werd meer in het algemeen over de “Wehlse bossen” gesproken. Het beheer gebeurde samen, maar in de vormgeving van de bospercelen was er een verschil. Het Jagershuis heeft de gebruikelijke blokvormige perceelsvormen. Het Stilliwald heeft daarnaast ook ronde vormen. In wijde kring rond het huis ligt een cirkelvormig padenpatroon. Had dit een bosbouwkundige reden of was het omwille van het wandel- of jachtgenot? Direct na aankoop nemen beide heren met voortvarendheid de ontginning en bebossing ter hand, zodat de eerste generatie bos ten behoeve van de mijnbouw terreinbeheer voor een deel al weer wordt geveld. Ook aan de ontwatering van de lager gelegen gedeelten wordt alle aandacht geschonken. Thans ligt een groot gedeelte van het bos nog op rabatten. Vanaf 1850, als de prijs van het eikenschors voor de leerlooierijen gaat stijgen, wordt ook de exploitatie van eikenhakhout interessant. Er worden een aantal percelen aangelegd, vermoedelijk 25 tot 30 ha. Met een omloop van tien jaar. Het eikenhakhout lag op de betere gronden in het zuidwestelijk deel van het landgoed. Het eikenhakhout brengt rond 1900 niets meer op en wordt dan deels spaartelgenbos. Daarnaast gaat men diverse naaldhoutsoorten uitproberen in kleine vakken en gemengde opstanden, zoals ook de douglas voor het eerst wordt aangeplant in 1903. Ook met loofhoutsoorten wordt geëxperimenteerd. En zo is het gevarieerde bosbeeld ontstaan zoals we het nu nog kennen.

Als in 1901 de zoon van de eerste eigenaar zonder nakomelingen overlijdt, houdt zijn vrouw het vruchtgebruik tot haar overlijden in 1921. Na haar overlijden worden alle bezittingen openbaar verkocht. Een deel van de familie koopt Het Jagershuis met bijbehorende gronden terug en brengt het in 1922 onder in een Naamloze Vennootschap. Thans bestaat het landgoed uit 45 ha. verpachte landbouwgrond en ongeveer 95 ha. bos, boswegen en erf.


Home